Nadat Anita ongeveer twee uur bezig is geweest met de beschrijving van gister, mag ik verder met de vrijdag.
Een reisdag, van Christchurch naar Kaikoura. Kaikoura is wereldberoemd in Nieuw Zeeland omdat je hier walvissen kan zien. Dat wil zeggen, tegen een aanzienlijk tarief kan je mee met een bootje de zee op en als je geluk hebt, dan zie je ze. “Spermwhales”, ik kan er ook niets aan doen, zo heten de beestjes die hier voor de kust zwemmen, in het Engels. Wij noemen ze potvissen. Vraag me niet naar het verband tussen deze twee namen, die ken ik niet. Maar dat is voor de dag van morgen, om 10.30 uur stappen we op de boot.
De tocht vanuit Christchurch leek een wat saaie route langs de kust te worden. Gelukkig zag Anita op de kaart nog een scenic route door de Noordelijke Alpen. Die hebben we dus genomen. Het berggebied is wat liefelijker dan die van de Zuidelijke Alpen, maar we kwamen toch weer door spectaculaire klimpartijen en afdalingen. Inmiddels werd wel duidelijk dat we op slecht weer afreden: voor ons pakten de wolken dik en somber samen. Tegen de tijd dat we weer bij de kust reden, kwam de regen met vlagen omlaag. We besloten daarom maar weer tot een overnachting in een lodge. Lekker warm en een eigen douche.
Nadat we de lodge hadden besproken, liepen we Kairkoura in. Bij een kroeg in het centrum, kwam Petra opeens naar buiten hollen: zij was daar geland om iets te eten met haar rugbyteam, onderweg naar het Noorden voor hun rugby-uitje. Wij doken even verderop een fish en chips in en genoten van deze Engelse vette hap. Daar kwam Petra weer voorbij lopen. Het zou bijna nog gaan wennen J
In de fish en chips ontdekte ik dat mijn fotocamera het had begeven: de belichtingsmeter werkt niet meer. Hmmm, niet goed voor mijn humeur, maar het is niet anders.
Van Petra kregen we nog, via sms, de tip dat 20 minuten buiten Kaikoura zich een bijzonder waterval bevond…daar reden we op af.
Je gelooft hier je ogen niet: de weg kronkelt langs zee met vaak prachtige vergezichten. Op een gegeven ogenblik passeerden we een parkeerplaats waar wel erg veel auto’s stonden. Dit moest de magische plek zijn, waar Jan en Ria Grimbergen ons overigens ook al over hadden verteld. Bij de parkeerplaats mondde een wild stromende beek uit in zee. Daar, op de rotsen in zee, lagen al de nodige zeehonden. Een paadje leidde ons dieper het bos in, de omlaag stromende beek (via talloze rotsen en stroomversnellingen), volgend. Voor ons hoorden we al een flinke waterval aankomen. Bij de waterval aangekomen bleven we, en met ons velen die met ons waren meegelopen, stokstijf staan: in het water onder de waterval….spartelden tientallen jonge zeehonden! Diep in het bos, in het zoete water, enkele honderden meters verwijderd van de zee…zeehonden….
Dat heeft Lenie ’t Hart in haar stoutste dromen nog niet kunnen bedenken.
Ieder jaar, in de winter, kruipen honderden (!) jonge zeehonden over de rotsen, tegen de stroom van de beek in, naar het water onder de waterval. Dagelijks komen de moederzeehonden de jongen voedden (dus dan moeten die jonge gasten weer aan de kust zijn). De jongen blijven tot de zomer op deze plek en keren dan terug naar zee. Wij zagen dus maar een beperkt deel van de enorme groep die hier zijn jeugd had doorgebracht.
Lullig overigens dat de batterijen van Anita haar fototoestel het op deze plek begaven. Dan maar wat plaatjes schieten met mijn telefoontoestel. Het tafereel was er niet minder betoverend onder.
In de inmiddels stromende regen reden we weer terug naar onze lodge. Warme douche, kop koffie en wat chocoladetabletten, allemaal goed voor motivatie.
Morgen de walvissen.
Die zwemmen overigens gewoon in zee. Geloof ik.

Inderdaad een jaloers makende foto! En niet alleen voor Lenie..:)
BeantwoordenVerwijderenLily